Woonwagenbewoners

In de 19e eeuw zijn er al rondtrekkende zwervers, reizigers en handelslieden. Pas in de 20e eeuw ontstaat een naam voor de groep die is afgeleid van de manier waarop ze wonen: de woonwagenbewoners.
Van oorsprong Nederlandse families – er zouden ook afstammelingen zijn van Duitse trekarbeiders – trokken rond om in hun levensonderhoud te voorzien, bijvoorbeeld als scharensliepen, stoelenmatters, mandenvlechters, muzikanten of seizoenwerkers.

Sinds de jaren zestig is de trekvrijheid steeds verder aan banden gelegd. Er volgde de verplichting om op een groot centrum te staan, niet veel later gevolgd door de verspreiding van deze bevolkingsgroep over kleine centra met maximaal 15 standplaatsen binnen de gemeentegrenzen. De oorspronkelijke woonvorm maakt daarna steeds meer plaats voor huizen in de vorm van chalets.

Er zijn tegenwoordig ca. 30.000 woonwagenbewoners in Nederland, woonachtig op vaste locaties.